Vespers Midden Beemster

29 november 2014 uitgevoerd in de Keyserkerk te Middenbeemster

Josef Rheinberger (1839-1901) werd geboren in Vaduz (Lichtenstein) maar vertrok reeds op 12-jarige leeftijd naar München, waar hij de rest van zijn rijke, muzikale leven zou blijven. Hij verbond zich als organist aan de St. Michaelkerk, als dirigent aan de Münchner Oratoriumverein, voor 3 jaar als solorepetitor aan de Hofoper en werd uiteindelijk tot professor in compositie en orgelspel aan de Koninklijke Muziekschool benoemd.

Rheinberger heeft een schat aan koormuziek nagelaten, zowel wereldlijk als geestelijk, zowel a-capella als begeleid. Hoewel zijn wereldlijk oeuvre omvangrijk is, is het repertoire dat hij voor de katholieke kerk schreef het voornaamste deel van wat hij heeft geschreven. Zo heeft hij 14 missen geschreven, evenals 3 requiems, 2 stabat mater zettingen, vele motetten en daarbij zijn er nog zijn talrijke jeugdcomposities.

Ave Regina Caelorum is een van de vijf Maria-antifonen die in de Getijden (dagelijkse diensten in de kloosters) worden gezongen ter afsluiting van de completen. De antifoon maakt deel uit van de officiële liturgie van de Romeinse ritus. Het wordt na de completen gezongen vanaf Maria Lichtmis tot Witte Donderdag.

Warum Toben die Heiden is een deel uit psalm 2: v1t/m4, v11 en de laatste zin van v12.

Uit deze 2 werken blijkt dat Rheinberger meester was in het afwisselen van muzikaal idioom, iets waarvoor Rheinberger tijdens en na zijn leven veel erkenning voor heeft gekregen.

 

Johannes Brahms (1833-1897) heeft zijn muzikale doorbraak (op 20-jarige leeftijd) te danken aan Robert Schumann, die hem Messias der muziek noemde. Hij genoot aanstellingen als dirigent in Detmold en Hamburg en vanaf 1863 tot zijn dood woonde en werkte hij in Wenen. Ongekend veel koorwerken heeft Brahms geschreven, zowel werldlijk als geestelijk, a-capella en begeleide werken.

 

O Heiland Reiss die Himmel auf is een hymne voor de advent, de tekst is gebaseerd op de gregoriaanse hymne Rorate Caeli desuper. Bezongen word de genade Gods dat hij in de vorm van een kind op aarde komt om onder ons te wonen en ons de weg naar de verlossing te tonen, terwijl in de tekst ook het lijden van de mens genoemd word om uiteindelijk Gods lof te bejubelen.

 

Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847) is zijn hele leven als dirigent actief geweest. Hij kreeg als kind zelfs eens bij wijze van verjaardagscadeautje een eigen orkest(!) om mee te werken wanneer hij maar wilde. Het talent voor muziek was even sterk aanwezig in zijn zus, Fanny. Tegenwoordig is het bekend dat een aantal werken van Mendelssohn eigenlijk van de hand van Fanny zijn, die als vrouw in die tijd veel moeite had met het publiceren van haar werken. Om dit te omzeilen stond ze Felix toe enkele van haar werken te laten publiceren, als ware het zijn eigen composities. Mendelssohn heeft ook een sterke affiniteit gekend met Engeland, met name ook met de Anglicaanse traditie.

Binnen deze traditie kent men eigen liturgische vormen welke zijn gebaseerd op de monastieke getijdendiensten: Matins en Choral Evensong.

 

Herr, nun lässest du deinen Diener in Frieden fahren en Jubilate Deo (Op. 69 Nos 1&3) zijn twee werken uit een drieluik dat Mendelssohn speciaal voor gebruik bij de Matins en Evensong schreef. Hij schreef deze werken met een engelse tekst maar om ze ook in Duitsland uit te kunnen voeren voorzag hij ze later van een duitse tekst, die niet in alle gevallen even mooi strookt met de muziek als de originele, engelse tekst (bv Jubilate Deo). In 1 geval echter werkt de duitse vertaling juist beduidend beter (Herr, nun lässest du).

 

Piet Halsema (1904-2004) was al vanaf 14-jarige leeftijd werkzaam als organist, een vak waarvoor hij in 1925 het conservatoriumdiploma behaalde en wat hij tot op hoge leeftijd heeft kunnen volhouden. Daarnaast was hij dirigent van diverse oratoriumkoren en werkte hij met grote orkesten om de grote werken van onder meer Bach, Haydn en Mendelssohn uit te voeren. Meer dan 50 maal heeft hij zo de Matthäus Passion uitgevoerd. Zijn composities zijn veelal vanuit dienstbaarheid geschreven. Het grootste deel van zijn oeuvre bestaat uit geestelijke koorwerken zoals missen, motetten en koorzettingen voor kerkelijke gezangen, maar ook liederen voor solist met begeleiding. Zijn muziek wordt gekenmerkt door sfeergevoeligheid met betrekking tot de verhouding tussen de tekst en de muziek.

Avondgebed van Hugo de Groot is hiervan een goed voorbeeld: tamelijk rustig van opzet, zeer beeldend in de muziek, passend bij de prachtige tekst van Hugo de Groot.

Henry Purcell (1659-1695) bereikte veel in de korte tijd van zijn leven (36 jaar!): zijn eerste compositie schreef hij op 8-jarige leeftijd, hij was toen ook koorknaap in de Chapel Royal (Londen), op 17-jarige leeftijd werd hij de huiscomponist voor het koninklijk strijkersensemble, 2 jaar later organist van Westminster Abbey, weer 3 jaar later 1 van 3 organisten van de Chapel Royal en opzichter van het koninklijk instrumentarium. Gedurende die tijd werkte hij onder 3 engelse koningen.

Zijn koormuziek schreef hij hoofdzakelijk voor hof- en kerkgebruik. Desondanks zijn zijn (70) motetten vandaag de dag het bekendst onder al zijn werken. Daarnaast schreef hij ook veel opera’s en theatermuziek.

Remember not, Lord, our offences is een prachtig voorbeeld van Purcell’s eigen stijl en idioom.

De tekst is één van de eerste teksten die voor de Anglicaanse kerk werden geschreven. Engeland (Henry VIII) was in oorlog met zowel Schotland als Frankrijk en in die tijd werd er opgeroepen om veel te bidden om de mensheid te beschermen tegen de zonde.

 


 


 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.